De ballade van Krijn Spookoog
Er woont een kind in Nwe Gein
Dat luistert naar de roepnaam "Krijn "
Reeds in het aller-prilst begin
Boezemt dat kind al angsten in
Je ziet niet ras wat er aan schort
Maar't kind heeft duidelijk een tekort
Blikt naar u op met enge ogen
En doet uw huiver flink verhogen
U voelt reeds op uw klompen aan
Dat kind zal vreemde wegen gaan
Hij werd een last voor zijne ouders
Hetgeen zeer drukte op hun schouders
Want nauwelijks de box verlaten
Had kleine Krijn reeds in de gaten
Dat zijne boosheid heerlijk rijpt
Als hij de kat in't donker knijpt
En met 't verstrijken van de jaren
Gaat Krijnlief steeds meer zorgen baren
Drapeert een laken om zich heen
En krijst als spook dan steen en been
En alle mensen die dat zagen
Die overladen zich met vragen
Bestaan er toch nog echte spoken
Of die die vent soms straal bezopen ?
Op 't kerkhof spookt hij 't liefste rond
Van des avonds laat tot morgenstond
met het nachtelijk duister om zich heen
Waant grote Krijn zich nooit alleen
Zijn vreemde ziel schijnt zich te laven
Aan al die enge, don'kre graven
Men vindt het zat en ongehoord
Dat Krijn de nachtrust zo verstoort
Gekweld door angsten en dooor zorgen
Is Krijn tenslotte opgeborgen
Men heeft nu in een fraai gesticht
Een spookhuis voor hem opgericht
En ook al vindt u het niet pluis
Die Krijn die voelt zich nu pas thuis
De engste dingen, voor hem alleen
Zo spookt hij zich door de dagen heen
In Nwe Gein daar heerst weer vrede
En ik ... ik deel u hierbij mede
Ga nimmer tussen graven spoken
Want voor uw ogen zijn geloken
Bent u voor d'Overheid gezwicht
U slijt uw dagen in't gesticht
Moraal:
Doe toch gewoon, dan doe je gek genoeg !!m
G.J. Toornvliet